De inspiratiebronnen van Carlien Foucart
Elke maand vragen we een danser, maker of docent dans wie of wat hen inspireert. Deze keer gingen we in gesprek met Carlien Foucart. Carlien is danser bij Platform K, maar kijkt ook als socioloog en docent. Haar blik op dans wordt gevoed door verschillende werelden: pedagogiek, de wijsheid van haar eigen lichaam, het werk van crip artists en de mensen die haar uitdagen om anders te kijken. Vanuit die meerstemmigheid onderzoekt ze hoe we ruimte kunnen maken voor verschillende lichamen, bewegingstalen en realiteiten. Niet door alles op voorhand te definiëren, maar door samen te zoeken naar wat er reeds aanwezig is.
Dans als wegwijzer
Ik ben altijd al graag met dans en beweging bezig geweest. Ik groeide op aan zee, waar het aanbod aan danslessen beperkt was. Thuis werd er wel veel bewogen. Mijn mama danste met mij, mijn papa was muzikaal en we waren thuis onnozel in de manier waarop we met elkaar omgingen. We plaagden elkaar, tikten elkaar aan, steunden op elkaar, ... Pas veel later ontdekte ik hoeveel daarvan aansloot bij contactimprovisatie.
Door mijn fysieke handicap heb ik mijn hele leven kinesitherapie gevolgd. Mijn rechterkant is sterk verlamd, waardoor ik al van jongs af aan manieren moest zoeken om te bewegen. Vroeger wilde ik niet gezien worden. Hoewel beweging altijd aanwezig was in mijn leven, wist ik niet altijd hoe ik er zelf meer ruimte aan kon geven.
In het vierde middelbaar werd ik verliefd op abstracte dans. Ik hield van de mathematische kant van beweging, van hoe een lichaam iets kan uitdrukken zonder dat er een verhaal verteld hoeft te worden. Ik begon me af te vragen waar ik danslessen kon volgen. Mijn hele leven ben ik gewend om activiteiten te scannen en in te schatten hoe groot de kans is dat ik op een bepaald moment alsnog uit de boot zal vallen. Dat maakte mijn zoektocht niet vanzelfsprekend. Via WISPER leerde ik contactimprovisatie kennen, onder meer bij Tommy Rousseau, en herkende daarin iets van hoe we thuis bewogen. Direct was dat voor mij meer behapbaar dan workshops hedendaagse dans, waarbij ik vaak snel moest afhaken. Ik botste op wederzijdse ontoegankelijkheid: de praktijk was niet altijd afgestemd op mijn lichaam, en ik had zelf te weinig tools om daarmee om te gaan.
Via danstherapie ontdekte ik vervolgens nieuwe mogelijkheden. Bij Platform K vond ik voor het eerst een plek waar ik echt kon thuiskomen. Ik werd uitgenodigd om auditie te doen en ben er ondertussen aan mijn vijfde jaar als danser aan de slag.
Ik studeerde sociologie aan KU Leuven en VUB en volgde daarnaast een lerarenopleiding. Zo ben ik altijd bezig geweest met verschillende perspectieven, hoe de samenleving in elkaar zit, en verschillende lagen die onze ervaringen beïnvloeden. Ik ben steeds twee versies van mezelf geweest: voor de buitenwereld was ik, zeker tijdens het opgroeien, vaak ‘Carlientje met haar handje of armpje’. Tegelijk was er Carlien die analyseerde, observeerde en vragen stelde over de wereld.
Die meerstemmigheid zit niet alleen in mijn denken, maar ook heel uitgesproken in mijn lijf. Mijn analytische brein is voortdurend bezig met het leggen van verbanden. Het denkt in categorieën, tegenstellingen en verschillende posities binnen een spectrum: links en rechts, actief en passief, insluiten en uitsluiten, individu en samenleving. Mijn lichaam toont me telkens weer dat die tegenstellingen niet noodzakelijk opgelost moeten worden. Ze maken net in hun onderlinge verhouding deel uit van een groter geheel.
Ik heb bijvoorbeeld een celloleerkracht gevonden die het zag zitten om omgekeerd cello te spelen. Mijn twee handen moeten samenwerken, maar ze kunnen niet op dezelfde manier functioneren. De timing is anders, de bewegingen vragen een andere aanpak. Mijn linkerhand hoeft niet te worden zoals mijn rechterhand, of omgekeerd, om samen iets mogelijk te maken. “Links mag van rechts leren en rechts moet niet per se op links lijken.”
Alles zit klaar
Via danstherapie ben ik mijn lichaam op een andere manier gaan ervaren. Ik heb daar de geboorte van mijn linkerhand meegemaakt. Dat klinkt misschien vreemd, maar ik ontdekte een bewegingstaal die ik voordien niet kende. Mijn linkerhand leefde in functie van mijn rechterkant, en had weinig eigen bewegingsvocabularium. Via dans ontdekte ik dat mijn lichaam ook andere mogelijkheden in zich droeg. Mijn lijf is al heel mijn leven op mij aan het wachten, om ook te mogen spelen en deelnemen.
Er is een hele dimensie van lichamelijke wijsheid die ik nog niet heb aangeboord. We vertrouwen vaak op wat we kunnen benoemen, uitleggen en analyseren, terwijl ons lichaam al zoveel doet. Het geeft richtingaanwijzers, maakt keuzes en ontwikkelt manieren om zich tot de wereld te verhouden. Het is, voor mij, tijd om dat lichaam meer ruimte te geven. Niet omdat ik vind dat denken niet belangrijk is, maar omdat er zoveel kennis aanwezig is die niet altijd via woorden tot stand komt. Ik wil onderzoeken hoe ik vanuit die kennis kan werken en hoe ik anderen kan uitnodigen om hetzelfde te doen. Want “alles zit klaar”. Dat geldt voor mijn eigen lichaam, maar ook voor de lichamen (of body-minds) waarmee ik samenwerk.
Een aantal jaar geleden kwam er naast mijn handicap een chronische overbelasting en bijgevolg functieverlies van mijn linkerhand bij. Ook binnen één lichaam kunnen ervaringen dus veranderen en nieuwe verhoudingen tot jezelf en de wereld teweegbrengen. Ik vind het belangrijk om die verschillende ervaringen en realiteiten naast elkaar te laten bestaan, zonder ze zomaar op een hoop te gooien.
Wanneer mensen zonder beperking toenadering zoeken, kan er op hetzelfde moment ook een afstand bestaan: we vertrekken niet noodzakelijk vanuit dezelfde ervaringen. Maar dat hoeft niet te betekenen dat we elkaar niet kunnen ontmoeten. Soms kunnen twee dingen tegelijk waar zijn. Ik vind het interessant om net daar te blijven kijken.
Crip artists: een andere manier van kijken
Ik heb enkele jaren geleden deelgenomen aan Sottobosco, een voorstelling van de Italiaanse choreograaf Chiara Bersani, die toen in Antwerpen speelde. Wat mij in haar werk fascineert is haar eigen fysieke taal: ze beweegt traag, bewust en intens. In Sottobosco deelt ze de scène met een andere performer, wiens lichamelijkheid een heel andere verhouding tot de ruimte mogelijk maakt. De vloer ligt vol marshmallows, die de beperkte ruimte oproepen die Bersani’s lichaam inneemt. Ik keek naar hoe haar armen en benen bewogen, hoe lijnen elkaar kruisten en hoe haar lichaam een eigen ruimtelijkheid creëerde.
Wat mij raakt, is de manier waarop Bersani lokale disabled performers bij haar voorstelling betrekt. Tijdens een voorbereidende workshop ontwikkelden we samen een eigen gebarentaal, die alleen binnen onze groep en die specifieke voorstelling bestaat. Tijdens de voorstelling zaten we aanvankelijk tussen het publiek, en Bersani gebruikte vervolgens die taal om ons uit te nodigen om deel te nemen aan de slotscène.
Ik vraag me af hoe mijn eigen lichamelijkheid die taal mee beïnvloedde. Ik kan mijn twee handen immers niet op dezelfde manier gebruiken. Ik zou zelf doodgraag gebarentaal leren, maar de taal die ik met mijn handen zou willen spreken, kan ik niet zomaar. Dat confronteert me met de vraag vanuit welk lichaam een taal wordt ontwikkeld en wie bepaalt hoe die eruitziet.
Een andere kunstenaar die een diepe indruk op mij maakte, is Dan Daw. Zijn werk is heel direct, soms confronterend, maar tegelijk poëtisch. Wat mij vooral raakt, is de combinatie van fysieke taal en woorden. Voor mij voelt de voorstelling als één lang gedicht, en elk woord dat hij uitspreekt voel ik in elke vezel van mijn lijf. Het zijn woorden die ik mijn hele leven al hoor en die zich in mijn lichaam hebben vastgezet. Ze beïnvloeden hoe ik mezelf zie en hoe ik me tot de wereld verhoud. Ik vind het een magnifiek talent om vanuit een diep doorleefde disabled realiteit werk te maken dat tegelijkertijd tot op zekere hoogte toegankelijk is voor een breder publiek. Achteraf zei ik tegen Dan dat het voelde alsof hij met die ene voorstelling hele delen van mijn persoonlijke geschiedenis en huidige realiteit had herschreven.
Het werk van crip artists zoals Chiara Bersani en Dan Daw toont me dat een lichaam niet hoeft te beantwoorden aan een vooraf bepaald idee van wat dans is. Er ontstaan andere bewegingstalen, andere verhoudingen tot de ruimte en andere manieren om met een publiek in contact te komen.
Ik merk dat ik steeds duidelijker de verschillen voel tussen inclusieve ruimtes en ruimtes die disabled-led zijn. Platform K is voor mij al jaren een heel waardevolle inclusieve thuis waarin ik als danser kan groeien en word uitgenodigd om mezelf te zijn. Tegelijk merk ik hoe de maatschappelijke blik op handicap, die je doorheen je leven internaliseert, ook binnen inclusieve ruimtes blijft doorwerken. Niet noodzakelijk omdat die blik je van buitenaf wordt opgelegd, maar omdat je hem zelf met je meedraagt.
Tijdens een eerdere maakplaats met andere disabled-dansers had ik al ervaren hoe anders een artistiek onderzoek kan verlopen wanneer je samenkomt in een disabled-only space. Het Summerlab van Platform K, begeleid door Dan Daw en Sarah Blanc, heeft die ervaring voor mij nog versterkt. Een week lang vormden onze uiteenlopende, maar heel specifieke ervaringen het vanzelfsprekende vertrekpunt. Onze lichamelijke realiteit hoefde niet verklaard of verantwoord te worden. We konden vanuit die ervaringen bewegen, onderzoeken en elkaar ontmoeten. Die ervaring heeft me diep geraakt en op een bepaalde manier ook getransformeerd. Ik voelde hoe de maatschappelijke normen en structuren die mijn blik op mijn eigen lichaam mee gevormd hebben, steeds minder invloed kregen op hoe ik mijn lichaam en mijn eigen bewegingstaal ervaarde.
Die ervaringen voeden mijn verlangen om disabled esthetieken verder te onderzoeken. Daarbij denk ik niet aan één uitwerking: er zijn zoveel mogelijkheden, net omdat onze lichamen en ervaringen zo verschillend zijn. Niet enkel vanuit de vraag hoe zo’n esthetiek eruit ziet voor een toeschouwer, maar vanuit hoe die lichamelijk aanvoelt. Wat gebeurt er wanneer we niet vertrekken vanuit de vraag of een lichaam een bestaande bewegingstaal beheerst, maar vanuit de mogelijkheden die dat lichaam zelf aanreikt? Welke bewegingen worden mogelijk wanneer ze niet meteen iets moeten betekenen voor iemand anders? Wat mij vooral interesseert, is welke werkwijzen ons kunnen helpen om die mogelijkheden te ontdekken.
Tegelijk vraag ik me af hoeveel ruimte disabled-kunstenaars krijgen om hun eigen fysieke taal in de wereld te zetten. Hoeveel ruimte is er om te onderzoeken wat een lichaam kan uitdrukken, zonder dat het werk voortdurend moet gaan over handicap, seksualiteit of identiteit? Mag het ook gewoon eens iets luchtigs of banaals zijn?
Zo heb ik ooit, tijdens een moment van frustratie, gezegd: ‘Ik wil gewoon eens als een bloemetje in een veld dansen.’ Misschien wil ik dat oprecht ooit doen. Gewoon een bloem zijn, zonder dat het meteen een groot verhaal over handicap of identiteit moet worden. Die thema’s maken deel uit van onze ervaringen, maar waarom zouden ze altijd centraal moeten staan? Voor mij gaat artistieke vrijheid ook daarover: niet voortdurend hoeven te beantwoorden aan de verwachtingen die anderen met jouw lichaam associëren.
Laat ons het niet alleen doen
Via de docentenopleiding van Danspunt ben ik met Anne-Lore Baeckeland in gesprek gegaan over hoe je een ruimte kan creëren waarin iedereen kan binnenkomen en hoe je mensen op een veilige manier kan uitnodigen om deel te nemen. Wat verandert er wanneer je niet vertrekt vanuit een vooraf bepaalde norm, maar vanuit de mensen die daadwerkelijk voor je staan? Voor mij betekent dat ook dat disabled-dansers niet alleen welkom zijn, maar hun plek kunnen opeisen en mee kunnen bepalen wat dans kan zijn.
Toen er gevraagd werd om vanuit mijn persoonlijke ervaringen iets te vertellen over inclusie in dans, stelde ik voor om dat op een andere manier aan te pakken. Ik wilde niet zomaar mijn levensverhaal vertellen, maar liever een ruimte creëren waarin verschillende mensen vanuit hun eigen ervaringen en perspectieven kunnen deelnemen. Vanuit mijn sociologische en pedagogische achtergrond geloof ik sterk in meerstemmigheid. Samen met mijn mededansers Sarah Snoeij en Veronique Mees ontwikkelde ik daarom een bewegingsgerichte en reflectieve workshop voor Open Up To Dance. We vertrekken vanuit onze ervaringen als disabled-dansers, maar nodigen vooral ook de deelnemers uit om hun perspectieven te brengen via woorden én beweging.
Inclusie is niet altijd eenvoudig. Soms botsen verwachtingen of overtuigingen en weten we niet meteen hoe we daarmee moeten omgaan, maar dat hoeft geen reden te zijn om niet te beginnen. We kunnen oefenen in het omgaan met die complexiteit, stap voor stap, in een veilige omgeving. En vooral: we hoeven het niet alleen te doen.
Wat ik bij Danspunt omarm, is het vertrouwen dat ik krijg om die vragen verder te onderzoeken. Danspunt ondersteunt veel verschillende dansstijlen en moedigt iedereen aan om inclusie mee vorm te geven. Ik ervaar dat ik daarin niet alles op voorhand hoef te weten. Dat vertrouwen moet ik soms nog verwerken. De wereld werkt doorgaans niet zo, denk ik dan. Dat een organisatie me vanuit mijn eigen ervaring met disabled bodies laat werken, zonder dat alles vooraf vastligt, vind ik bijzonder.
Misschien hoeven we niet altijd de ambitie te hebben om alle verschillen te overbruggen. Misschien mogen we ook samen aanwezig zijn in elkaars diepe realiteiten, zonder dat alles meteen opgelost of begrepen moet worden. Ik ben benieuwd hoe zich dat verder kan ontvouwen en verweven.
Verder wil ik mijzelf nog leren om mijn ervaringen unapologetically te delen, zonder elk gesprek meteen te herleiden tot een vergelijking tussen mijn lichaam en brein en dat van iemand anders. Inclusief werken betekent voor mij niet dat we voortdurend moeten zoeken naar wat we gemeenschappelijk hebben. We mogen verschillen, en we mogen die verschillen uitspreken. Dat vraagt soms om ruwe taal, om gesprekken die nog niet gepolijst zijn. Juist door samen te exploreren, kunnen we ontdekken wat er mogelijk wordt.
Zoeken als rode draad
Een laatste inspiratiebron is mijn jeugdvriendin Jana Cordenier. Zij studeerde schilderkunst en werkt met naald en draad. Haar werk is zacht en poëtisch, maar tegelijk heel fysiek. Ze maakt grote werken met fijne draden die zich door het doek bewegen. De draden trekken je blik door verschillende dimensies van het werk. Soms verknobbelen ze prachtig, komen ze vast te zitten of bewegen ze zacht net voorbij de grenzen van het kader. Ik vind dat bijzonder mooi. Haar werk heeft een enorme fijnheid, maar kan tegelijkertijd heel groot en ruimtelijk zijn. Je ziet de sporen van beweging, de verschillende lagen en de toevalligheden die onderweg ontstaan. Jana nodigt het toeval uit. Ze heeft een duidelijk doel voor ogen, terwijl mijn rode draad eerder het zoeken is.
Ik heb in mijn twintiger jaren geleerd om dat zoeken meer te omarmen. Ik hoef niet altijd precies te weten waar ik uitkom. Soms ontstaat een richting pas doordat ik onderweg nieuwe mogelijkheden ontdek. Ook wanneer we niet volledig in elkaars wereld kunnen binnentreden, zijn er richtingaanwijzers die ons met elkaar verbinden. Ik wil niet vertrekken vanuit een vastomlijnd eindresultaat, maar onderzoeken wat er al aanwezig is in een groep. Welke mogelijkheden schuilen in de lichamen die samenkomen? Welke bewegingen, beelden en relaties kunnen ontstaan wanneer niet alles vooraf wordt vastgelegd? En hoe kunnen we vanuit onze verschillen een gezamenlijke esthetiek ontwikkelen?
Ik merk dat die vragen ook bij andere dansers iets losmaken. Ik wil niet noodzakelijk vaste antwoorden vinden, maar wel ruimtes openen waarin we deze vragen kunnen stellen. Binnenkort krijgen we daartoe de kans binnen een onderzoekstraject rond autonoom creëren, opgezet door Anne-Lore Baeckeland en Danspunt. Samen met enkele mededansers onderzoeken we welke mogelijkheden ontstaan wanneer dansers samen eigenaar kunnen zijn van hun creatieproces. Zo wordt zoeken voor mij geen gebrek aan richting, maar een manier om verder te komen.
Tekst: Judith Van Oeckel
Wil je meer inclusie binnen de danssector? Op Open Up To Dance gaat Carlien samen met enkele andere Platform K dansers op zoek naar wat inclusie kan betekenen binnen jouw eigen danspraktijk. Wat is de meerwaarde van inclusief werken? En hoe kunnen obstakels omgevormd worden tot opportuniteiten?